Inleiding
Dit proefschrift focust op jongens in Vlaanderen die (vermoedelijk) misdrijven hebben gepleegd en hierdoor binnen een gemeenschapsinstelling werden geplaatst. Deze jongeren vormen een erg heterogene groep op het vlak van persoonlijkheid, risico- en protectieve factoren en omgevingskenmerken. Een aantal van deze jongeren vertonen een combinatie van persoonlijkheidskenmerken die lijken op de affectieve kenmerken van psychopathie. Deze persoonlijkheidskenmerken omvatten een gebrek aan empathie en schuldgevoel, evenals een oppervlakkig gevoelsleven.
In de literatuur worden deze kenmerken aangeduid als kil-ongevoelige (in het Engels: callous-unemotional; CU) trekken. Deze CU-trekken worden verondersteld een belangrijke rol te spelen bij het onderscheiden van een subgroep jongeren met een verhoogd risico op aanhoudend en ernstig antisociaal gedrag en andere problemen. Theoretische inzichten en studies suggereren dat jongeren met CU-trekken eveneens heterogeen zijn en dat binnen deze groep jongeren subgroepen bestaan.
In dit proefschrift werd de bruikbaarheid van één manier om de heterogeniteit binnen de groep jongeren met CU-trekken in kaart te brengen, onderzocht. Deze manier is gebaseerd op het werk van Karpman (1941), die stelde dat er twee groepen van individuen met een hoge mate van psychopate trekken bestaan. Een eerste – primaire – groep wordt gekenmerkt door (genetische) beperkingen in het emotioneel functioneren en een lage mate van angst. Een tweede – secundaire – groep zou deze trekken ontwikkelen als het gevolg van ernstige verwaarlozing of misbruik. Deze secundaire groep zou vanwege deze trauma’s gekenmerkt worden door een hoge mate van angst. Aangezien CU-trekken deel uitmaken van het persoonlijkheidsconstruct ‘psychopathie’, kregen de theorie van Karpman en aanverwante theorieën recent in toenemende mate aandacht in onderzoek over jongeren die CU-trekken vertonen.
Echter, het huidig onderzoek vertoont nog heel wat beperkingen die moeten worden aangepakt voordat een soortgelijke subtypering in de praktijk kan worden gebruikt. Het doel van dit proefschrift is dan ook om na te gaan of CU-varianten empirisch identificeerbaar zijn bij jongens die in een gemeenschapsinstelling verblijven en of deze jongens klinisch betekenisvolle verschillen vertonen op het vlak van gedrag, emotioneel functioneren en omgevingskenmerken. Het onderzoek wil zo bijdragen aan een beter begrip van heterogeniteit binnen forensische populaties en aan de verfijning van diagnostiek en behandeling.