De afgelopen decennia werd regelmatig gepleit om voor de definitie, (classificerende) diagnostiek en behandeling van dyslexie alleen de ‘ernstige en hardnekkige problemen met het lezen en/of spellen van woorden’ als fundamentele en noodzakelijke kenmerken te beschouwen (DSM-V, 2013; van der Leij, 2013; PDDB, 2021; SDN, 2016, 2021; Van den Broeck, 2016; Vellutino et al., 2004). Ondanks, of misschien wel dankzij, instemming, is de discussie over de consequenties van de nieuwe definitie voor terreinen zoals onderwijs, zorg en dyslexie in de volwassenheid nog volop gaande.
Deze volgspot richt zich op twee recente wetenschappelijke artikelen: van Maassen: Leesmoeilijkheden en dyslexie. Zorg of onderwijsprobleem? (verder in dit nummer) en van de Britse onderzoekers Elliott & Daniel: Diagnosing dyslexia in adults: what is going wrong and how can we fix it? (Journal of Clinical and Experimental Neuropsychology, april 2026).
De aanleiding voor beide artikelen is dat er de laatste jaren in diverse sectoren sprake is van een sterk gestegen toeloop op het dyslexielabel. Maassen voegt daar nog aan toe: “een onrustbarende stijging van de uitgaven in de jeugdzorg aan gespecialiseerde dyslexiebehandelcentra”.
Elliott en Daniel focussen op de wereld van de volwassenen. Zij geven voorbeelden van overdiagnose bij ontslagen van werknemers en ‘vreemde’ praktijken in het (Engelse) hoger onderwijs (bv. medische opleidingen), waar er sprake is van sterk gestegen aantallen (“soms wel tot 10%”) ‘dyslectische’ studenten. Het euvel zou volgens hen zijn dat er in de screening en diagnostiek te veel gewicht wordt toegekend aan zelfbeschrijvingen (“lived experience”) en in oudere definities en literatuur voorkomende verwijzingen naar aan dyslexie gerelateerde ‘profielen’ of (onderdelen van) intelligentie of cognitietests. Het gaat zelfs zodanig ver dat de leesspellingsprestaties of historie daarvan niet meer de hoofdvoorwaarde voor een dyslexietoeschrijving zijn, maar in plaats daarvan het cognitief profiel, een aandachts- of geheugenprobleem, lage woordenschat, en ook (!) grote creativiteit, ‘beelddenken’, et cetera. De remedie is volgens Elliott en Daniel: hou je bij toekenning van het dyslexielabel in diagnostiek en behandeling aan de ‘enige echte’ typerende kenmerken (bovengenoemd) en als die niet aanwezig zijn of twijfelachtig, gebruik dan de term dyslexie niet.
Ook Maassen schetst de ontwikkeling tot de nieuwe (beschrijvende) definitie, analyseert de operationaliseringsmoeilijkheden (bv. de arbitrariteit van cut-off points) en doet ‘gewaagde’ uitspraken zoals: “een van de belangrijkste oorzaken van overdiagnostiek is het ontbreken van harde criteria (in het huidige protocol) voor de diagnose van dyslexie”. Ook rekent Maassen af met andere stokpaardjes in het denken over dyslexie (bv. de positie van het medisch model en jeugdzorg en gezondheidsverzekering, de uniciteit van specialistische vaardigheden die buitenschools geboden worden, et cetera). Maassen voert aan dat ‘het onderwijs’ en niet ‘de zorg’ de betere plek zou zijn voor de diagnostiek, de behandeling en het voorkomen van lees- en spellingproblemen. Enerzijds zijn velen het met Maassen eens (bv. Levering, 2020). Anderzijds zien velen dat het leesonderwijs en de organisatie van de diagnostiek en behandeling van de geletterdheidsproblemen (nog altijd) niet dusdanig op orde zijn dat Maassens aanbevelingen realiteit worden. Menig dyslecticus, zijn ouders en andere betrokkenen zullen daarom ‘bij gebrek aan beter’ buitenschoolse hulp niet afwijzen.