Recent werd in het Verenigd Koninkrijk een ruime groep van dyslexie-experten bevraagd over hun opvattingen over dyslexie. De discussie over de definitie van dyslexie (het fameuze ‘dyslexia debate’ in het VK) blijft aanslepen. Dat werkt veel verwarring en misinformatie in de hand en staat een adequaat beleid in de weg. De bevraging moest een breed gedragen consensus opleveren die zou leiden tot een eenduidige praktijk op het vlak van diagnose en aanpak. Deze Delphi-studie resulteerde in een rapport (Carroll et al., 2025) dat veel interesse kreeg in de internationale dyslexiegemeenschap.
Op 22 oktober 2025 besliste alvast het bestuur van de International Dyslexia Association (IDA) om de eigen toonaangevende definitie van dyslexie (daterend van 2002) in navolging van deze studie aan te passen. Hun definitie klinkt voortaan als volgt:
“Dyslexia is a specific learning disability characterized by difficulties in word reading and/or spelling that involve accuracy, speed, or both and vary depending on the orthography. These difficulties occur along a continuum of severity and persist even with instruction that is effective for the individual’s peers. The causes of dyslexia are complex and involve combinations of genetic, neurobiological, and environmental influences that interact throughout development. Underlying difficulties with phonological and morphological processing are common but not universal, and early oral language weaknesses often foreshadow literacy challenges. Secondary consequences include reading comprehension problems and reduced reading and writing experience that can impede growth in language, knowledge, written expression, and overall academic achievement. Psychological well-being and employment opportunities also may be affected. Although identification and targeted instruction are important at any age, language and literacy support before and during the early years of education is particularly effective.”
(https://dyslexiaida.org/2025-dyslexia-definition-project/)
Voor zover mij bekend heeft deze studie in Vlaanderen en Nederland maar weinig weerklank genoten. Moeten we ons hierover zorgen maken? Moeten er ook in de Lage Landen veranderde opvattingen worden gepropageerd?
Ik denk het niet. De voorgestelde definitie sluit bijna naadloos aan bij de protocollen en richtlijnen die in Nederland, en vaak in navolging daarvan ook in Vlaanderen, al lange tijd in voege zijn. De definities die, op basis van het rapport van de Commissie Dyslexie van de Nederlandse Gezondheidsraad (1995), ontwikkeld werden en hun uitvoering vonden in diverse protocollen en richtlijnen, mogen bijna als voorlopers van deze nieuwe benadering in de Angelsaksische wereld worden beschouwd. De belangrijkste krachtlijnen daarvan blijven staande:
- Waar in de oude IDA-definitie dyslexie nog altijd voornamelijk als een fonologisch probleem werd gedefinieerd, maken oorzaken nu geen deel meer uit van de definitie. De specificiteit wordt essentieel beschrijvend benaderd (cfr. ook DSM-5): dyslexie kenmerkt zich als ernstige en hardnekkige problemen bij de ontwikkeling van geletterdheid, en uit zich in moeilijkheden met de accuratesse en/of snelheid van woordlezen en/of spellen (specificiteits-/achterstandscriterium). Deze moeilijkheden situeren zich op een continuüm van ernst en blijven bestaan ook als er sprake is van instructie en leerhulp die bij andere personen effectief blijken (hardnekkigheidscriterium).
- Wat de onderliggende (oorzakelijke) factoren betreft, manifesteert dyslexie zich als een heterogene conditie. Een complexe wisselwerking van diverse genetische, neurobiologische, cognitieve en omgevingsinvloeden bepalen mede de ernst en de impact/gevolgen ervan, ook op het psychosociale vlak. Pedagogische kwaliteit in ons onderwijs en effectieve lees- en spellinginstructie zijn dus ook voor deze leerlingen van cruciaal belang. Een preventieve aanpak en vroegtijdige interventies verhogen de kansen op succes.
Nederland en Vlaanderen hebben dus niet direct veel te leren van deze Angelsaksische ‘vernieuwing’. Onze belangrijkste uitdaging blijft om in ons onderwijs de pedagogische relaties en de lees- en spellinginstructie, inclusief de remediërende leerhulp op school, zo kwaliteitsvol mogelijk vorm te geven om alle leerlingen gelijke kansen te geven om de geletterdheid in een inclusieve setting onder de knie te krijgen. Dit moet toelaten de buitenschoolse hulp, inclusief de vergoede zorg, voor ouders en overheid betaalbaar en haalbaar te houden. De cijfers in deze zijn, zeker voor Vlaanderen, evenwel verontrustend te noemen. Uit het onderzoek (Verschueren et al., 2016) bleek dat ongeveer 30% van de ouders in de loop van drie schooljaren buitenschoolse hulp had ingeschakeld voor een van hun kinderen in het basisonderwijs. In ongeveer driekwart van de gevallen was dat vanwege schoolgerelateerde problemen. Er is dus op dat vlak nog werk aan de winkel.
Referenties
Carroll, J.M., Holden, C., Kirby, P., Thompson, P.A., Snowling, M.J., & the Dyslexia Delphi Panel (2025). Toward a consensus on dyslexia: findings from a Delphi study. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 66(7), 1065-1076. doi: 10.1111/jcpp.14123
Verschueren, K., Struyf, E., Vervoort, E., Bodvin, K., & De Haene, L. (2016). Buitenschoolse hulp en zorg op school: succes verzekerd!? Garant.